Biologische bestrijders rondom onze percelen
Predatoren;
parasitoïeden
Kruidenmengsel
De haag
als nuttig ecosysteem
Insectenbiotopen
Wilde planten als leefruimte van nuttige insecten.
Het zal u al wel opgevallen zijn bij het lezen van de verschillende
nieuwsbrieven, dat de aanwezigheid van nuttige insecten grotendeels
afhankelijk is van de beschikbaarheid aan wilde planten in de onmiddellijke
omgeving van het perceel. Deze kruiden zijn immers een belangrijke bron
van voedsel. Pollen en nectar zijn vaak de enige voedingsbron van volwassen
insecten zoals de zweefvliegen, de sluipwespen en de gaasvliegen. Bovendien
dienen deze kruiden als gastplanten voor bladluizen en andere insecten,
die onontbeerlijk zijn voor lieveheerbeestjes en andere nuttige insecten.
Kruiden dienen eveneens als infrastructuur voor verschillende soorten
webbouwende spinnen. De kruiden zijn tevens een toevluchtsoord voor
insecten tijdens de minder gunstige perioden van het jaar.
Ondoordacht gebruik van herbiciden elimineert niet enkel de kruiden
die concurreren met onze gewassen, maar ook de nuttige insecten omdat
we ze van 'hun' kruiden beroven.
Net zoals deze insecten te samen met hun kruiden verdwijnen, kunnen
we deze insecten opnieuw aantrekken door hun kruiden (op de akkerranden)
opnieuw toe te laten.
Om een ongecontroleerde toename van het aantal onkruiden en plaaginsecten
te voorkomen, zullen we de kruidenberm met de nodige kennis van zaken
moeten beheren.
Een kweekbodem voor nuttige insecten
Voordat u de eerste stap zet moet u goed weten welk de plaaginsecten
zijn van uw teelt (en volgteelten). Een grondige kennis van de levenscyclus
van de plaag en mogelijke waardplanten zijn onontbeerlijk. Bij de aanleg
van een kruidenberm gaan we naast de nuttige insecten ook insecten aantrekken
die een plaag kunnen vormen op deze kruiden. Wanneer deze plaaginsecten
niet schadelijk zijn voor onze teelt dan hebben we een goede kweekbodem
voor onze nuttige insecten. Indien we bepaalde kruiden toelaten die
plaaginsecten aantrekken die ook onze gewassen kunnen aantasten, dan
… . We moeten dus ook kennis vergaren over de ziekten en de plagen
van een 'aantal' wilde planten. Welke kruiden u uiteindelijk gaat gebruiken
is uiteraard afhankelijk van uw teelt.
Afhankelijk van het soort kruid kunnen er in het algemeen genomen meer
of minder insecten op voorkomen.
Op vlas en de gewone smeerwortel komen zéér weinig individuen
voor, minder dan 15/m².
Op boerenwormkruid, koolzaad en de grote klaproos kunnen zéér
veel individuen voorkomen, soms zelfs meer dan 500/m².
Voor de meeste kruiden ligt het tussen de 100 en 300 individuen/m².
Hiervan zijn ongeveer 65% (tussen de 45% en 80%) plantenetende (phytofage)
insecten, de overigen zijn overwegend predators of parasitoïden
van deze phytofagen.

Predators
Lieveheersbeestjes
In het algemeen kunnen we stellen, dat de lieveheersbeestjes voorkomen
op planten waar veel bladluizen zijn, omdat zowel de kevers als hun
larven zich voeden met bladluizen. Maar andere factoren hebben evenzeer
een invloed op hun aanwezigheid, bijvoorbeeld aanvullende voedselbronnen
zoals pollen (peen, witte krodde, …) en nectar (korenbloem).
In het verleden zijn lieveheersbeestjes bestudeerd geweest naar de interactie
tussen hen en verschillende planten. Lieveheersbeestjes blijken bepaalde
voorkeuren en zelfs afkeur te hebben voor bepaalde planten. Enkele klaarblijkelijk
onaantrekelijke planten zijn klavers, kleine pimpernel, glad walstro,
wilde tijm en de niet inheemse maar wel veel toegepaste groenbemester
Phacelia. Op een aantal kruiden die we liever niet inzaaien zoals vogelmuur
en uitstaande melde komen ze ook niet voor.
Enkele zéér aantrekkelijke planten zijn de grote brandnetel,
luzerne, middelste teunisbloem, peen, gewone smeerwortel en stalkaars.
Loopkevers en weekschildkevers
In het algemeen komen loopkevers enkel op het bodemoppervlak voor,
slechts een paar soorten (vb. Demetrias atricapillus en Dromius quadrimaculatus)
kruipen het gewas in om zich daar te voeden met bladluizen. Regelmatig
zijn ze te vinden in bernagie (syn. blauwbekje), basterdklaver, witte
klaver en luzerne. Soms komen ze in deze kruiden zelfs in grote aantallen
voor.
Voor hen en de overige loopkevers zijn gewoon duizendblad en kamille
een aantrekelijke overwinteringsplaats (ondergronds).
Weekschildkevers voeden zich voornamelijk met nectar en pollen van schermbloemigen
zoals berenklauw, peen en fluitekruid.
Gaasvliegen
Gaasvliegen zouden bepaalde voorkeuren hebben voor de planten waarop
ze hun eitjes willen afzetten. Behaarde en grote bladeren krijgen blijkbaar
de voorkeur boven wasachtige of kleine bladeren. Zo werden tijdens een
onderzoek in Zwitserland 75% van al de gaasvlieg eitjes terug gevonden
op bernagie (syn. blauwbekje), 5 tot 12% op de gewone hennepnetel, de
grote klaproos en de vaste lupine. Op 4 van de 52 onderzochte plantensoorten
was 97% van alle gaasvliegeitjes te vinden. De larven kwamen op 46 van
de 52 planten voor.
De Ruwbladigenfamilie (Boraginaceae) en de Papaverfamilie (Papaveraceae)
blijken uitermate aantrekkelijk te zijn. De Lipbloemenfamilie (Labiatae),
de Vlinderbloemenfamilie (Leguminosae) en de Apiaceae zijn ook aantrekkelijk
maar in mindere mate. De overige planten families zijn weinig of geheel
niet aantrekkelijk voor de eiafzet van de gaasvliegen.
De volwassen groene gaasvliegen zijn betreffende hun voeding volledig
aangewezen op pollen, nectar en honingdauw. Uit maag- en uitwerpselenonderzoek
blijkt dat het merendeel van de pollen afkomstig is van Euphorbiaceae
gevolgd door Poaceae, Salicaceae, Asteraceae en Apiaceae.
 |
 |
Zweefvliegen
Vrijwel alle bloemen met een platte, ondiepe en open vorm zijn aantrekkelijk
voor zweefvliegen. Als wij ze gedurende hun ganse actieve periode willen
aantrekken, dan zullen wij er voor moeten zorgen dat er van vroeg in
het voorjaar, reeds vanaf eind februari tot laat in de herfst bloemen
aanwezig zijn in de akkerranden. De volwassen zweefvliegen zijn volledig
aangewezen op hun nectar en pollen.
maart, april: herderstasje, akkerviooltje, witte krodde.
Mei, juni: herik, phacelia, raapzaad, margriet, zevenblad,
peen
Juli, augustus: korenbloem, akkermelkdistel, boekweit,
gewone steenraket, bernagie, middelste teunisbloem, pastinaak
September Oktober: korenbloem, margriet, boerenwormkruid,
wilde cichorei
Naast kruiden bezoeken ze ook vele struikachtige bloeiende gewassen.
Dansvliegen
Onder de vliegen zijn de dansvliegen de meest belangrijke groep predators.
Twee planten oefenen een grote aantrekkingskracht uit op deze vliegen,
namelijk de korenbloem en de grote klaproos (12-15/m²). Maar ook
op andere planten, meestal Brassicaceae en vele soorten klaver zijn
ze te vinden.
Roofwantsen
Hoewel roofwantsen voornamelijk in bomen en hagen voorkomen, kunnen
we ze ook aantreffen op kruidachtige planten. Orius en Anthocoris soorten
kunnen in perioden van schaarste overschakelen op pollen.
De Echte roofwantsen (Nabiidae) zijn regelmatig te vinden op koolzaad,
knopherik, bernagie (syn. blauwbekje), basterd klaver en luzerne.
Parasitoïden
Sluipwespen
Het merendeel van de parasitoïden zijn sluipwespen. Sluipwespen
komen veel voor op Papilionaceae, meestal van de onderfamilie van de
Asteraceae. Vele Brassicaceae trekken eveneens sluipwespen aan.
Sluipvliegen
Sluipvliegen kunnen we wel eens vinden op phacelia, gewone hennepnetel,
luzerne, korenbloem, bernagie (syn. blauwbekje), koolzaad. Op deze kruiden
kan men soms meer dan 40 parasitoide vliegen / m² aantreffen.
Kruidenmengsels
Bij het samenstellen van een kruidenmengsel moet men er rekening mee
houden dat niet alle planten verenigbaar zijn met elkaar. De komst van
één soort kan een andere soort doen verdwijnen. Grote
planten verdringen de kleinere planten, agressieve groeiers verdringen
de zwakkere groeiers, … . De juiste verhoudingen zoeken tussen
al deze kruiden is dan ook specialisten werk. Het samenstellen van deze
mengsels laten we bijgevolg best over aan zaadhuizen, die toch enige
jaren ervaring hebben met commerciële veldbloemenmengsels voor
grasperken en parken.

De veldbloemenmengsels die vandaag worden aangeboden bevatten meestal
ongeveer een 25 soorten kruiden. Het grote voordeel hiervan is dat men
van vroeg in het voorjaar tot laat in de herfst verschillende soorten
kruiden heeft die in bloei staan. En nadeel is misschien dat door de
vele soorten kruiden men minder controle heeft over de soorten insecten
die men aantrekt.
Een andere mogelijke optie is om afhankelijk van uw teelt, een 'beperkt'
aantal soorten te gaan inzaaien. Door zelf een selectie te maken weet
men op voorhand welke plaaginsecten en nuttigen men mag verwachten op
de kruiden. Deze kennis is vandaag echter nog veel te beperkt om op
dit gebied adviezen te gaan geven. Onderzoek naar zulke mogelijkheden
dringt zich dan ook op. Maar niets houd u tegen om zelf te experimenteren.
Al doende leert men.

Aanleg
Bij akkerrandstroken gaat men uit van 2 tot 5 m brede stroken. Men
kiest hiervoor best de breedte die het gemakkelijkst afgestemd kan worden
op de werkbreedte van de werktuigen en de benodigde ruimte die men nodig
heeft voor de kopakkers (wendakkers).
Om de fauna en flora positief te beïnvloeden op de akkerranden
mogen er geen bespuitingen met herbiciden, insecticiden en fungiciden
worden uitgevoerd op deze rand. Bemestingen op deze rand moeten men
eveneens achterwege laten.
Beheersmaatregelen
Of het nu gaat om uitgebalanceerde commerciële mengsels of om
de paar soorten die u zelf selecteerde, alle kruiden zijn onderhevig
aan onderlinge concurrentie. Uw ingezaaide kruidenstrook zal dus in
een aantal jaar totaal veranderd zijn indien u niet ingrijpt.
De belangrijkste beheersmaatregel van een kruidenberm is het maaien.
Dit maaien is nodig om de soorten in stand te houden en om verwildering
en concurrentie met grassen tegen te gaan.
Om de berm in stand te houden, gaat men meestal 1 of 2 maal per jaar
maaien. Op voedselarme gronden volstaat 1 maal maaien, op rijkere gronden
is 2 maal maaien meestal een noodzaak.
De soorten houden we het best in stand door te maaien vlak na de bloei,
meestal rond half september. Indien we tweemaal per jaar moeten maaien,
dan mag de eerste maaibeurt niet te laat uitgevoerd worden (eerste helft
van juni), om de kruiden voldoende tijd te geven om zich te herstellen
en zaad te laten produceren.
Om zoveel mogelijk meerjarige planten te sparen, moeten we de berm afmaaien
op ongeveer 10 cm hoogte.
Om te voorkomen dat we al te veel zaden afvoeren van éénjarige
soorten; laten we het maaisel best nog een 4 à 5 dagen drogen
alvorens het af te voeren.
Door het afvoeren van het maaisel gaat men de bodem verschralen, wat
meestal gepaard gaat met een toename van de soortenrijkdom aan kruiden.
De concurrentie met grassen kan men het best aanpakken door net voor
de bloei van het gras te maaien (mei-juni). De meeste voedingsstoffen
zitten dan in de bovengrondse delen van de grassen. De concurrentiekracht
van het aanwezige gras wordt hierdoor sterk verzwakt, waardoor de kruiden
meer kansen krijgen. Het maaisel afvoeren.
Het beheren van de kruiden zelf vraagt echter een heel andere aanpak.
Wanneer één soort te sterk begint uit te deinen dan kan
men best dit kruid net voor de bloei met een bosmaaier maaien.
Het bevorderen van een bepaalde soort is vaak een veel moeilijkere opdracht
omdat dit meestal speciale ingrepen vraagt. Enkel voorbeelden:
Bij gewoon knoopkruid, duizendblad en peen volstaat het om 1 tot 2 maal
te maaien.
De grote klaproos, korenbloem en bernagie kunnen we stimuleren door
de bodem licht om te werken en open te houden.
Tenslotte zal men tijdens de groei- en bloeiperiode de ongewenste en/
of storende onkruiden handmatig (of met selectieve herbiciden) moeten
verwijderen.


De haag als nuttig ecosysteem
Planten, insecten en dieren mogen we niet elk als iets afzonderlijk
bekijken. Ze maken allen deel uit van een ingewikkelde onderlinge wisselwerking.
In één woord samengevat als 'ecosysteem'. Elke verandering
die er plaatsvindt heeft een invloed op het ecosysteem. Bijvoorbeeld,
als bladluizen van uit een haag in het aangrenzend gewas terechtkomen,
dan zullen ze vroeg of laat gevolgd worden door een grote diversiteit
aan soorten, die voordien in de haag met deze bladluizen verbonden waren.
Dit zijn onder andere de natuurlijke vijanden van de bladluis, zoals
de lieveheersbeestjes, de gaasvliegen, de zweefvliegen en de sluipwespen.
Deze migraties gebeuren vanuit de haag naar de akker maar ook omgekeerd.
Omdat vele hagen door ruilverkavelingen en schaalvergrotingen verdwenen
zijn, is de diversiteit aan fauna en flora in het agrarisch gebied sterk
afgenomen. Het ecosysteem is ontwricht en hierdoor moeten we steeds
met meer en betere chemische middelen ingrijpen.
Zoals de zaken er vandaag op Europees niveau voorstaan wat betreft het
gebruik van pesticiden, is het aangewezen om de diversiteit in het agrarisch
gebied opnieuw te herwaarderen.
Maar u hoeft dit vandaag zeker niet te doen zonder enige voorkennis
en zonder er profijt uit te halen. Al tientallen jaren onderzoekt men
de verschillende interacties tussen de nuttige insecten, de schadelijken,
onze cultuurgewassen en de inheemse planten, zodat we er vandaag al
enig inzicht in beginnen te krijgen. Maar het zal nog enkele jaren onderzoek
en praktijk ervaring vergen voordat u optimaal gebruik kan maken van
deze meer ecologische manier om de plaaginsecten ondercontrole te houden.

De relatie tussen planten, plaag-insecten en nuttige insecten.
Planten kunnen zich op verschillende manieren beschermen tegen plaaginsecten.
Eén van de meest opmerkelijkste mogelijkheden is de aanmaak van
chemische afweerstoffen. De aanwezigheid van zo'n afweerstof voorkomt
de vraat door plantetende insecten en dieren. Een aantal insecten en
dieren hebben zich in de loop der tijd aan het gif kunnen aanpassen
omdat ze instaat zijn een tegengif te produceren. Dit net zoals insecten
resistentie kunnen opbouwen tegen chemische bestrijdingsmiddelen.
Deze aangepaste insecten gaan zelfs de plant aan de hand van zijn afweerstof
kunnen gaan herkennen als een mogelijke waardplant. Hierdoor zullen
we verschillende insectensoorten aantreffen op specifieke plantengroepen
die de zelfde chemische eigenschappen bezitten (Familie, geslacht, …).
Een mooi voorbeeld hiervan is de familie van de kruisbloemigen. Omwille
van hun typische afweerstoffen, vinden we op deze groep van planten
zeer typerende insecten terug zoals de melige koolluis en de koolvlieg.
De meeste andere plaaginsecten komen niet voor op deze planten.
De gifstoffen vormen dus een effectieve bescherming tegen onaangepaste
insectensoorten, maar kunnen een omgekeerd effect hebben op de aangepaste
soorten.
De wetenschap vermoedt dat een aanpassing aan een hoog gehalte van de
ene stof gepaard gaat met een verminderde tolerantie tegen een andere
gifstof. Dit zou de sterke specialisatie (afhankelijkheid) van een aantal
insecten kunnen verklaren op bepaalde planten.
Omwille van deze eigenschappen kunnen sommige planten bijzonder interessant
zijn om ze te gaan gebruiken als kweekruimte. Deze specifieke bladluizen
en bladvlooien zijn niet schadelijk voor onze gewassen maar trekken
vele nuttige insecten aan die zich hierop kunnen ontwikkelen en vermeerderen.
Deze wijze van werken wordt trouwens met veel succes toegepast in glasteelten,
waar men graanluizen gaat kweken op wintertarwe en deze vervolgens tussen
het gewas uitzet. De nuttige insecten die leven van bladluizen beschikken
alzo over voldoende voedsel om in perioden van schaarste te overleven
en zich verder te kunnen blijven voortplanten.
Deze techniek zouden we ook in openlucht kunnen gaan toepassen, omdat
vele inheemse planten zoals els, wilg en es een zeer specifieke insecten
fauna hebben. Als we deze struiken en bomen in de nabijheid van onze
cultuurgewassen zetten, dan zouden we beschikken over een eenvoudige
wijze van biologische bestrijding, ware het niet dat de natuur veel
complexer is dan dit.
Afweerstoffen zijn vaak zéér giftig. Sommige aangepaste
plaaginsecten kunnen hiervan gebruik maken om zichzelf ermee te beschermen
tegen natuurlijke vijanden. In plaats van de gifstoffen te neutraliseren
en uit te scheiden, gaan sommige insecten ze juist opslaan in hun weefsel
of vormen ze het om tot andere giftige verbindingen. Een mooi voorbeeld
hiervan is het bronzen wilgenhaantje (Phyllodecta vitellinae). Hun larven
ontwikkelen zich op de bladeren van verschillende soorten wilgen (Salix).
Wilgen bevatten diverse afweerstoffen waaronder salicine. De keverlarve
neemt deze gifstoffen samen met zijn voedsel op en slaat het vervolgens
op in zijn lichaam. De opgeslagen gifstoffen beschermen de larve tegen
zijn natuurlijke vijanden, de lieveheersbeestjes. Niet alle wilgen hebben
een hoog salicine gehalte. De larven die zich op salicine-arme wilgen
ontwikkelen worden wel door de lieveheersbeestjes opgegeten. De keverlarven
op wilgen met een hoog gehalte (Salix fragilis) blijken zich evengoed
te ontwikkelen als op wilgen met een laag gehalte (Salix viminalis).
Men zou dus geneigd zijn Salix viminalis aan te planten om lieveheersbeestjes
aan te trekken, maar tot onze grote spijt merken we, dat deze kever
zelden zijn eitjes afzet op salicine-arme wilgen.
De opgeslagen afweerstoffen in prooi-insecten hoeven niet altijd nadelig
te zijn voor de natuurlijke vijanden. Bijvoorbeeld, het Jakobskruiskruid
(Senecio jacobaea) bevat zéér giftige senecio-alkaloïden,
die de plant moeten beschermen tegen polyfage insecten. Slechts weinige
insecten hebben zich hieraan kunnen aanpassen. De bladluis Aphis jacobaeae
die deze plant als waardplant heeft, kan net zoals het bronzen wilgenhaantje
de gifstoffen opslaan in zijn lichaam. Het zevenstippelige lieveheersbeestje
(Coccinella septempunctata) kan deze bladluis wél opeten zonder
schade te ondervinden. Dit komt omdat het lieveheersbeestje van nature
alkaloïden in zich heeft om zichzelf te beschermen tegen zijn natuurlijke
vijanden. Door het eten van jacobskruiskruid-bladluizen gaan de lieveheersbeestjes
extra giftig worden voor hun mogelijke belagers, wat in het voordeel
is van dit nuttig roofinsect.
Planten kunnen naast afweerstoffen ook signaalstoffen aanmaken. Verschillende
plantensoorten gaan vluchtige chemische verbindingen uitscheiden als
ze beschadigd worden door insectenvraat. Deze vluchtige SOS-signalen
oefenen een grote aantrekkingskracht uit op bepaalde natuurlijke vijanden
van het schadelijke insect. Bijvoorbeeld, als de bladeren van appelbomen
aangezogen worden door spintmijten dan reageert de plant hierop door
signaalstoffen aan te maken en ze te verspreiden. Deze geurstoffen lokken
de roofmijten naar de aangetaste plaats. Op deze wijze kan een appelboom
zich indirect gaan beschermen tegen belagers. Het effect is kwalitatief
en kwantitatief afhankelijk van het ras van de appel en van de soort
mijten. Een ander voorbeeld is het aantrekken van sluipwespen (Cotesia
rubecula en C. glomarata) door koolplanten die aangetast worden door
de koolrups.

Wilde planten als voedselleveranciers voor nuttige insecten.
Nuttige insecten zijn insecten die schadelijke insecten als prooi
of als gastheer hebben. Het zijn meestal de larven van de nuttige
insecten die het grootste aantal schadelijke insecten verdelgen. Het
leven van de volwassen insecten is voornamelijk gericht op de voortplanting.
De meeste volwassen nuttigen maar ook sommige larven, zijn naast de
dierlijke voeding ook afhankelijk van plantaardige voeding, zoals
nectar en pollen.
Als we nuttige insecten willen aantrekken, dan zullen we er voor moeten
zorgen dat al deze voedselbronnen aanwezig zijn. Ontbreekt er één
van deze dan kunnen de nuttige insecten zich niet optimaal ontwikkelen
en zullen ze migreren naar andere plaatsen.
Omdat nuttige insecten voorkomen van vroeg in de lente tot het einde
van de herfst (sommige blijven zelfs gedurende de winter actief),
moeten we dus jaarrond in hun behoeften trachten te voorzien.
Alternatieve prooien en gastheren
In perioden wanneer er op het perceel geen cultuurgewassen staan
of wanneer er geen of onvoldoende plaaginsecten zijn, dan moeten de
nuttige insecten kunnen beschikken over andere prooien of over andere
gastheren in het geval van parasieten.
Verschillende inheemse planten, zoals o.a. wilgen lopen al zeer vroeg
in het voorjaar uit en worden als eerste aangetast door bladluizen
en andere belagers. Deze kunnen als een goede alternatieve voedingsbron
dienen voor vroege nuttigen.
Inheemse planten zijn vaak waardplanten voor soortspecifieke plaaginsecten.
Deze plaaginsecten zijn meestal niet schadelijk voor onze cultuurgewassen
en kunnen dus als prooi voor onze nuttigen dienen in tijden wanneer
er geen plaaginsecten voorkomen op onze percelen.
Enkele voorbeelden van mogelijke alternatieve prooien op inheemse
planten. De elzenbladvlo, een specifieke bladvlo richt buiten de els
zelden schade aan op andere gewassen. De beukenbladluis komt enkel
voor op beuk (soms ook op Parrotia persica). Ook wilg, es, en de gewone
hazelaar hebben elk een aantal specifieke bladluissoorten. Daarnaast
zijn er nog talloze onschadelijke mijten en galmijten die als alternatief
voedsel kunnen dienen.
De alternatieve gastheren voor parasitaire insecten zijn de voor onze
teelten onschadelijke rupsen soorten en bladmineerders die we massaal
in hagen kunnen aantreffen.
Nectar
Nectar is voor de meeste nuttige insecten de belangrijkste suiker
bron. Suikers leveren energie en verlengen de levensduur. Naast suiker
bevat nectar ook noodzakelijke eiwitten, vetten, vitaminen en enzymen.
De samenstelling van de nectar, in het bijzonder het gehalte aan suikers
is afhankelijk van verschillende factoren. Zowel de plantensoort,
de variëteit, de standplaats, de ouderdom van de bloem, de temperatuur,
de luchtvochtigheid als de zon hebben een invloed op de kwaliteit
en kwantiteit van de nectar.
Pollen
Pollen (stuifmeelkorrels) zijn een belangrijke eiwitbron en bevatten
daarnaast zowat alles wat noodzakelijk is om te overleven. Ze bevatten
gemiddeld zo'n 27% suikers, 24% eiwitten, 5% vetten en veel mineralen.
Een aantal insecten die zich normaal voeden met insecten (predators)
kunnen in perioden van schaarste, overschakelen op pollen. Voorbeelden
hiervan zijn roofmijten, lieveheersbeestjes, roofwantsen. Anderen
gebruiken het als een aanvulling zoals de gaasvliegen. Er zijn nog
anderen die er bijna volledig op aangewezen zijn zoals de sluipwespen.
Pollen hebben bovendien vaak een grote invloed op de kwaliteit en
kwantiteit van de eitjes.
De hoeveelheid voortgebracht stuifmeel verschilt sterk van de ene
plant tot de andere. Met als gevolg dat een grote hoeveelheid aan
bloemen niet garant staat voor veel nuttigen. Buiten het feit dat
de kwaliteit en de kwantiteit van de nectar en pollen niet voor alle
planten even hoog is, moeten we er ook rekening mee houden dat niet
elke bloemvorm voor alle nuttige insecten toegankelijk is. Bij sommige
bloemen zitten de nectarklieren en de pollen soms zo diep in de bloem
verborgen dat ze enkel bereikbaar zijn voor grote, sterke insecten
met een lange tong, zoals bijen. De meeste nuttige insecten kunnen
enkel bij de nectar en pollen komen in open en ondiepe bloeiwijzen.
Planten met zulke bloeiwijzen vinden we voornamelijk terug bij soorten
uit de families van de schermbloemigen en composieten.
Honingdauw
Naast nectar zijn vaak de suikerrijke uitscheidingen van bladluizen
en andere sapzuigende insecten een belangrijke bron aan suikers. De
onverteerde uitgescheiden vloeistof is qua samenstelling bijna evenwaardig
als nectar.
Hagen:
invloeden en effecten
Sinds lange tijd vervullen hagen een belangrijke rol in de landbouwsector.
Oorspronkelijk dienden ze om de percelen af te bakenen, om de dieren
onderdak te bieden, om de wind te breken en om de mensen van voedsel
(noten, vruchten en klein wild) en hout te voorzien. Pas recent is
ook de attractiviteit voor nuttige insecten een selectie criterium
aan het worden. Het is meermaals aangetoond dat hagen en windschermen,
een enorme potentie aan nuttige insecten kunnen herbergen. De hagen
bieden eveneens onderdak aan gewenste diersoorten zoals amfibieën,
reptielen, vogels en zoogdieren.
Er is vandaag nog een grote noodzaak aan onderzoek. Welke mogelijke
positieve, negatieve of neutrale invloeden en effecten kunnen hagen
hebben op de productie van onze gewassen?
Enkel kritische proeven zullen leiden tot het verbeteren van de geïntegreerde
of biologische bestrijding van land- en tuinbouwplagen.
We mogen van deze onderzoeken echter geen uitsluitsel of garanties
gaan verwachten. Want net zoals bij onze gewassen is en blijft het
een levend en evoluerend systeem.
Permanente aanplantingen zoals hagen, herbergen een aantal insecten
soorten die enkel in deze houtachtige omgeving willen verblijven.
Andere insecten hebben dan weer vagere grenzen en zullen in min of
meerdere mate vanuit deze permanente aanplantingen naar de aangrenzende
gewassen verhuizen. Dit kan zowel positieve als negatieve gevolgen
hebben.
Negatieve gevolgen:
Gemengde hagen kunnen planten bevatten die als waardplant voor insecten,
virussen, bacteriën en schimmels dienen en die ook schadelijk
kunnen zijn voor onze gewassen. Eveneens kunnen deze hagen fungeren
als overwinteringplaats van mogelijke schadelijke insecten. Een grondige
kennis van de plagen met hun respectievelijke levenscyclus en mogelijke
waardplanten is dus noodzakelijk. Zonder in detail te gaan geven we
hieronder een aantal voorbeelden.
De populier is de primaire waardplant voor wortelluizen. Deze luizen
leven aanvankelijk op de bladstelen van populieren en verhuizen in
begin van de zomer naar de zomerteelten van o.a. sla, andijvie en
cichorei. Deze luizen kunnen tevens dragers zijn van het mozaïekvirus.
De Amelanchier is een waardplant voor de schadelijke schimmel Monilia,
die woekert op kersen en krieken.
De meidoorn is een waardplant voor bacterievuur, die naast appel-
en perenbomen ook sierheesters zoals Cotoneaster, Cydonia, Pyracantha
aantasten.
Voorzichtigheid is dus geboden!
Positieve gevolgen:
Zoals reeds herhaaldelijk aangehaald herbergen hagen en andere niet-cultuurgewassen
belangrijke nuttige organismen. Tallozen voorbeelden zijn te vinden
in deze en de vorige nieuwsbrieven.
Daarnaast hebben hagen een grote invloed op het microklimaat door het
verminderen van de windsnelheid. Bovendien wordt de verspreiding van
onkruidzaden door hagen afgeremd.
Het microklimaat effect van hagen en de invloed ervan op de gewasgroei
Hagen verminderen de windsnelheid. Daardoor kan er minder gemakkelijk
lucht en vocht worden afgevoerd. Afhankelijk van de stand van de zon
en de heersende windrichting t.o.v. de haag, resulteert dit overdag
meestal in een iets hogere temperatuur (tot 1 à 2 °C) en
een iets hoger luchtvochtigheid (enkele procenten). Uit onderzoek
is gebleken, dat deze klimaatseffecten optreden over een afstand van
ongeveer 10 maal de haaghoogte. Op een afstand van 4 maal de haaghoogte
is dit effect het grootst. Het gewas zal in de nabijheid van hagen
door de lagere windsnelheid en de hogere luchtvochtigheid minder verdampen.
Dankzij de hogere temperaturen zal het gewas in het voorjaar sneller
uitlopen en zal het beter gaan groeien. Dit resulteert meestal in
een verhoogde opbrengst.
Maar vlak tegen de haag is de opbrengst lager door vochtonttrekking
en beschaduwing.
Of hagen de totale opbrengst gaan verhogen of verlagen is afhankelijk
van de plaatselijke omstandigheden en van het verbouwde gewas. Het
grootste effect mag men verwachten in winderige gebieden waar windgevoelige
en temperatuurgevoelige gewassen worden verbouwd. Bij een minder gevoelige
teelt in een minder winderig gebied kan er mogelijk opbrengst verlies
zijn.
Een ander aspect dat invloed kan hebben op de opbrengst is de dichtheid
van de haag. Bij een zeer dicht scherm ontstaan er in de zone die
verder van de haag is gelegen sterke turbulenties. Deze kunnen voor
opbrengstverliezen zorgen, omdat het gewas hierdoor sneller gaat uitdrogen
of plat gelegd wordt. Bovendien werkt het de zandverstuiving in de
hand. De ideale dichtheid van een haag is ongeveer 50%. Hiermee kan
men de windsnelheid 25 à 50% reduceren, al naar gelang de breedte
van de haag.
De vermindering van de windsnelheid is waarneembaar over een afstand
van 15 à 20 keer de hoogte van de haag. Een nadeel van de verminderde
windsnelheid is, dat het gewas langer nat blijft.
Het nadeel van de vochtonttrekking kan beperkt worden door zo min
mogelijk vochtminnende soorten aan te planten.
Als men naast de haag een greppel graaft dan wordt de worteluitbreiding
ook beperkt. Maar dit gaat ten koste van de nuttigen die op de bodem
leven zoals loopkevers en egels, omdat een greppel met water een onoverbrugbare
barrière vormt.

Aanleg
van hagen
Welke soorten?
De soortkeuze wordt bepaald door de te verbouwen gewassen, nu en
in de toekomst. Een haag is een permanente aanplanting die pas een
aantal jaren na de aanplant zijn natuurlijk evenwicht bereikt.
Omdat de lezers van deze nieuwsbrieven uit zowat alle (vollegronds)
land- en tuinbouwsectoren komen, is het voor ons nagenoeg onmogelijk
om concrete voorbeelden te gaan uitwerken, vanwege de grote diversiteit
aan teelten.
Net zoals bij de bloemenmengsels moeten we ook hier weer een strategie
uitwerken. We kunnen kiezen voor een grote diversiteit aan plantensoorten,
of opteren voor een beperkt aantal soorten die we dan van dicht bij
kunnen opvolgen.
Een hoge soortdiversiteit is om ecologische redenen het meest aangewezen.
Het biologisch evenwicht wordt erdoor versterkt en het verhindert
de uitbreiding van ziekten. Een nadeel is de complexiteit ervan. Zeker
als we de aanwezigheid en de ontwikkeling van de nuttigen (en schadelijken)
op deze hagen willen opvolgen. Er komen op zulke hagen veel verschillende
soorten natuurlijke vijanden voor. Maar niet al deze (nuttige) soorten
zijn geïnteresseerd in de plaaginsecten van onze verbouwde gewassen.
Het merendeel zal zich voeden met insecten die niet voor zullen komen
op onze gewassen.
Het grote voordeel is, dat we ze eigenlijk niet hoeven op te volgen,
omdat deze ecologische rand altijd naar een evenwichtige en een zo
ruim mogelijke diversiteit zal streven.
Een andere optie is om zelf een selectie te maken en slechts één
of een beperkt aantal soorten aan te planten. Deze keuze moet zéér
nauwgezet gebeuren en met de nodige kennis van zaken. Adviezen inwinnen
is dan ook noodzakelijk. Het grote voordeel van een soortenarme haag
is dat men gemakkelijk kan nagaan welke schadelijken en welke nuttigen
op deze plant(en) voorkomen, in welk stadium ze zich bevinden en vooral
wat de impact is van deze aangetrokken nuttigen op de bestrijding
van de plaaginsecten op ons gewas. Indien niet alles naar wens zou
verlopen, dan kan men sneller en met meer inzicht met een selectief
insecticide gaan ingrijpen.
Het nadeel is dat men alles zéér nauwgezet zal moeten
opvolgen indien men het maximale rendement uit de nuttigen wil halen.
Ons belangrijkste doel blijft het produceren van een goed, kwalitatief
product.
Een mooi voorbeeld hiervan zijn de elzenhagen rondom de perenboomgaarden.
De soortkeuze baseert men best op "streekeigen soorten".
Soorten die dus van nature op die plaats zouden voorkomen. Hiervoor
kunnen we het best afgaan op het bodemtype en het vochtgehalte van
de bodem. Al was het maar om te voorkomen dat bijvoorbeeld vochtminnende
(vochtbehoevende) soorten komen te staan op een droge zandgrond. De
vochtconcurrentie van de haag met onze gewassen zou hierdoor alleen
maar vergroten. Daarnaast stellen ook de soortspecifieke insecten
vaak hun eisen aan de onmiddellijke omgeving en de grondsoort, omdat
ze bijvoorbeeld in de grond verpoppen.
Bij de keuze van de soorten moeten we rekening houden met het bloeitijdstip
van elke soort. Als we veel nuttigen het jaar rond willen aantrekken,
dan zullen we er voor moeten zorgen, dat zij ook over een compleet
voedselpakket kunnen beschikken. Er moeten dus jaarrond planten in
bloei staan. De verschillende bloeiende planten zullen elkaar met
hun bloeiperiodes moeten overlappen. Zo'n jaarronde overlapping noemt
men een bloeiboog. De eerste struik die bloeit is de gewone hazelaar
(januari - maart), vervolgens bloeien de wilgen, elzen en de gele
kornoelje (maart - april), later volgt in april en mei de Spaanse
aak, es, … . In mei en juni het rode kornoelje, de Gelderse
roos, … .Gedurende de zomer maanden zijn vooral interessant
de vuilboom, de liguster en de vlier. Voor in de herfst zou zeker
klimop niet mogen ontbreken in de haag.
Als men vruchten of zaden verbouwt, dan moet men er opletten dat
deze bloeiende struiken niet gaan concurreren om de bestuivers van
onze gewassen. Bijen zouden niet altijd bloemvast zijn en dus regelmatig
van plantensoort wisselen. Hierover is nog geen eenduidigheid bereikt.
Onderzoek zou wel aantonen dat bijen op verschillende tijdstippen
van de dag op verschillende planten vliegen, waardoor dat er van concurrentie
niet echt sprake is. Als er toch concurrentie zou kunnen ontstaan,
dan is het van belang dat er op dat moment in de haag geen bloemen
staan. Maar er zouden dan eigenlijk ook geen andere bloeiende planten
in de directe omgeving van het perceel mogen staan, omdat de bijen
bij het zoeken ongeveer 3 km afleggen.
Tot slot, is het belangrijk om een opsomming te maken van alle redenen
waarom u een haag wil aanplanten. Een haag die bijvoorbeeld eveneens
erosie moeten bestrijden zal andere soorten bevatten dan een die dienst
moet doen als windscherm.
Het planten
Om insecten aan te trekken volstaat een éénrijïge
haag. Hagen die bestaan uit 2 of meerdere rijen zijn ecologisch wel
veel interessanter, maar dan voornamelijk voor zoogdieren, vogels
en reptielen (vele van hen zijn voor ons eveneens nuttig).
De plantafstand voor een dichte haag (¹ windscherm) bedraagt
50 cm.
Om de onderlinge concurrentie van de verschillende soorten te beperken,
moeten we de soorten groepsgewijs aanplanten. 3 tot 5 planten van
dezelfde soort naast elkaar is voldoende.
Hou er wel rekening mee dat een gemengde haag meer ruimte nodig heeft
in de breedte dan de traditionele geschoren haag. Voor een goed ontwikkelde
gemengde haag is minimum drie meter nodig.
Voorzie eventueel ook ruimte voor een kruidenstrook langs de haag.
Dit zorgt voor een gunstig en een geleidelijk verloop tussen de houtkant
en de akker. Het voedselaanbod en de rijkdom aan soorten zal hierdoor
opmerkelijk toenemen.
Beheer en onderhoud van een ecologische haag
Hagen worden waardevoller naarmate ze ouder worden. De schors van
een jonge aanplant is glad en biedt weinig overwinteringsplaatsen.
In een oudere haag wordt de schors ruwer en ontstaan er vele barsten
en kieren in het hout. Ook dood hout biedt veel onderdak en leefruimte
voor insecten.
Gemengde hagen vragen een geheel ander beheer van de traditionele
geschoren hagen. Wat moeten we dus verstaan onder beheer en onderhoud
van hagen? In de eerste plaats moeten we een onderscheid maken tussen
hagen die dienen als windscherm en hagen die we willen gebruiken om
nuttige insecten en dieren aan te trekken. We beperken ons tot de
laatste.
In tegenstelling tot een windscherm moet een ecologische haag dicht
zijn. Dit kunnen we enkel bereiken door de haag regelmatig te verjongen
door ze te snoeien. We moeten er opletten dat de basis van de haag
niet kaal wordt omdat een kale basis weinig bescherming biedt aan
insecten en zoogdieren (egels, spitsmuizen, marters enz.) die zich
over het bodemoppervlak verplaatsen.
Haag vorming
Reeds bij de aanplant moeten we zorgen voor een goed gesloten basis.
Dit doen we door het eerste jaar dat volgt op de aanplant de planten
zeer sterk in te snoeien, tot op ongeveer 10 à 20cm van de
grond. Het tweede jaar gaan we de haag nogmaals vrij kort terugsnoeien.
De daarop volgende jaren als we een goede, brede basis gevormd hebben
laten we de haag de hoogte in gaan. Vanaf nu gaan we de haag alternerend
snoeien. We bedoelen hiermee dat we jaarlijks een stuk van de haag
ongesnoeid laten en dat we dit stuk pas het volgende jaar gaan snoeien.
We moeten ervoor zorgen dat we elk jaar op een gedeelte van de haag
tweejarig hout hebben staan. Dit omdat vele struiken en bomen enkel
op twee of meerjarig hout bloem geven. We kunnen dus bijvoorbeeld
het ene jaar de voorste helft van de haag snoeien en het jaar nadien
de achterste helft, of bloksgewijs. Bij de snoei houden we best een
kegelvorm aan, omdat het licht op deze manier het best verdeeld wordt
van de kop tot de basis. Indien op plaatsen de basis toch kaal begint
te worden dan kunnen we deze herstellen door enkele dikke stammen
tot tegen de grond weg te nemen zodat hierop nieuwe scheuten kunnen
ontstaan.
Een gans andere manier om een gemengde haag te beheren is het om de
paar jaar uitdunnen en terugzetten van een gedeelte van de struiken.
Het tijdstip van de onderhoudsbeurt
Men zou onderhoud moeten vermijden in de periode wanneer er bloem-
en vruchtzetting is (lente, zomer en herfst), in de periode wanneer
de vogels de vruchten eten en wanneer er vogels in broeden (voorjaar
tot vroege zomer). Er blijft nog slechts een kleine opening in de
late winter.
Beheersrichtlijnen voor het aantrekken van nuttige insecten en zoogdieren
1. Beoog een zo hoog mogelijke rijkheid aan soorten en bloemen in
de haag
2. Tracht de haagbasis zo goed mogelijk te laten ontwikkelen, afgrazing
door het aangrenzend vee moeten men zien te vermijden.
3. Gaten en openingen in de haag moeten gedicht worden.
4. Maximaliseer de productie van vruchten en bessen, door pas te snoeien
in de late winter en door het aantal snoeibeurten te beperken.
5. Laat een dichtbegroeide kruidenvegetatie en grasbegroeiing langs
de haag toe.
6. Minimaliseer de drift van herbiciden, insecticiden en fungiciden.
Mogelijke problemen
Door het aanlegen van hagen, maar ook bloemenborders trekken we naast
nuttige insecten, zoogdieren en vogels ook minder gewenste dieren
aan. Deze ongewenste dieren kunnen echter ook aanwezig zijn zonder
hagen en bermen. Men moet goed blijven waarnemen en de schade op regelmatig
basis gaan opmeten. Hoe meer begroeiing er is, hoe groter de kans
wordt dat we muizen en woelratten aantrekken.
Vogels kunnen schade aanrichten aan jong plantgoed en aan de geteelde
vruchten.
Sommige insecten zoals wantsen zijn net zoals bladluizen polyfaag,
en hebben bijgevolg vele waardplanten. Een wantsenplaag is bovendien
vrij moeilijk te bestrijden, zowel biologisch als chemisch. De hagen
en kruidenbermen kunnen in dit opzicht ook in ons voordeel spelen,
omdat de schadelijke insecten hier een ruime keuze zullen hebben aan
alternatieve waardplanten en bijgevolg minder geneigd zullen zijn
om zich te vestigen op onze teelten.
Demonstratie insectenbiotopen op het KVLT
|