De verschillende groepshuisvestingssystemen: GEFASEERDE VOEDERVERDELERS
1. Algemene bespreking (bron: naar Suzy Van Gansbeke)
1.1. Groepsgrootte
De zeugen worden in kleine, stabiele groepjes geplaatst. Enkel stabiele
groepen worden geadviseerd, omdat de zeugen onbeschermd zijn tijdens het
eten. De groepsgrootte bedraagt 7 of een veelvoud van 7, omdat per 7 zeugen
een voederbak vereist is. De zeugen worden in groep gevoederd. Daarom
is het noodzakelijk dat de zeugen in de groep zoveel mogelijk op elkaar
afgestemd zijn. Zeugen van dezelfde leeftijd, worpnummer en conditie dienen
samengebracht te worden in één hok. Eventueel dient men
het overschakelen naar bijvoorbeeld het twee-, drie-, vier-, vijf- of
zevenwekensysteem te overwegen. De dekgroep wordt dan groter, hetgeen
meer mogelijkheden biedt naar de splitsing in uniforme groepjes toe. Groepen
van 7 zeugen zijn toepasbaar, maar 14 zeugen per hok lijkt beter. De zeugen
zullen dan de area’s (lig-, eet-, en mestruimte) beter onderkennen
en een dominante zeug kan misschien wel één, maar geen twee
voederbakken monopoliseren.
1.2. Het voedersysteem
Per 7 zeugen is, zoals gezegd, een voederbak noodzakelijk. Een voederbak
wordt gestuurd door een computer. Per 40 zeugen is één computer
vereist. Er zijn zowel uitvoeringen beschikbaar met droogvoeder als brijvoeder.
De zeugen bewegen een klep of worden gezien door een bewegingssensor en
krijgen een portie voeder ter beschikking. Een portie bevat ongeveer 20
à 25 g droogvoeder (best kruimelvoeder) of 100 ml brijvoeder. Een
volgende portie zal slechts verkrijgbaar zijn als een bepaald tijdsinterval
verstreken is. Dit interval duurt ongeveer 85 à 105 seconden. Des
te groter het interval, des te minder voeder wordt opgenomen. Het voeder
is dus in principe niet beperkt in hoeveelheid, maar wel in tijd. Men
tracht in te spelen op het psychologisch verzadigingsgevoel van de zeugen.
Het is dan ook niet nodig een speciaal samengesteld ad libvoeder te gebruiken.
Gemiddeld wordt 6 keer per dag voeder opgenomen. Doordat het voeder 24
uur per dag beschikbaar is kan de natuurlijke rangorde tot uiting komen,
op voorwaarde dat de bakbezetting niet te hoog is. Dominante zeugen eten
voornamelijk overdag, gedomineerde zeugen eten eerder ’s morgens
en ’s nachts. De opname van voeder door ranglage dieren komt daardoor
niet in het gedrang. Dit bevordert de rust in de hokken. Het voederinterval
en de kleine porties zorgen ervoor dat de dieren gedurende relatief lange
tijd worden beziggehouden, zodat verveling en ongewenst gedrag minder
kans krijgen. De porties, het aantal porties of de verdeling van de porties
over de dag kunnen worden aangepast.
1.3. Belangrijkste voor- en nadelen
1 .3.1. Voordelen
- Het systeem is geschikt voor nieuwbouw en renovatie.
- Het is voordelig voor kleine groepen, waardoor het overzicht goed
bewaard blijft en gemakkelijk werkt.
- Meestal zijn de zeugen rustig en handelbaar.
1.4.2. Nadelen
- De zeugen kunnen niet tijdens het voederen geobserveerd worden
- Te kleine groepen zeugen zullen de eet-, lig-, en mestruimte moeilijk
kunnen onderscheiden en willekeurig mesten en gaan liggen.
- Het voederverbruik zou kunnen stijgen en samen met de conditie dient
men dit goed op te volgen.
2. Vaststellingen op praktijkbezoek
Er werden door de stuurgroep 2 bedrijven bezocht die het systeem voor
hun drachtige zeugen gebruiken. Een bespreking.
2.1. Bezoek 1
2.1.1. Algemeen
Het eerste bezoek bracht ons bij een nieuwbouw zeugenstal met 170 zeugen.
Deze stal was sinds een jaar werkzaam. Voor de zeugenhouder was de keuze
een afweging tussen dit systeem en dropvoedering. Omwille van de lagere
investeringskosten ging de uiteindelijke voorkeur naar dit systeem.
Na het dekken blijven de zeugen nog gedurende vier weken individueel gehuisvest,
daarna komen ze in kleine groepjes van 8 zeugen. Er wordt dus gewerkt
met het driewekensysteem.
Hoewel de bediening van de voederbak eenvoudig is, worden gelten voor
het dekken aangeleerd. Ze zitten dus voor het dekken al een tijd in de
groep. Na het dekken zijn ze vertrouwd met het voedersysteem en worden
ze samengezet in een groep met de kleinste zeugen.
2.1.2. Conditiebewaking
Op dit moment kunnen de zeugen enkel water opnemen in de voederbak. Volgens
de zeugenhouder is dit vooral in de zomer ontoereikend. De stuurgroep
bedenkt dat het plaatsen van drinkbakjes in het hok een goed idee is.
We stellen ons zelfs hardop de vraag of het dan niet beter zou zijn het
water in de bak af te sluiten, zodat eten en drinken gescheiden zijn.
Van bij het ad libitum systeem is bekend dat het scheiden van voeder en
water een verlaging van de voederopname tot gevolg heeft. Op dit bedrijf
krijgen de zeugen 4 kilogram voeder ter beschikking, waarvan ze drie kilogram
opnemen. De zeugen zijn dan ook zeer goed in conditie. (natuurlijk ook
afhankelijk van het type zeug en het soort voeder) Een verlaging van de
voederopname door deze maatregel zou ervoor kunnen zorgen dat de conditie
van de zeugen op het gewenste peil blijft.
Nu zijn de zeugen in het bedrijf nog allemaal derde worpszeugen. Vanaf
de volgende worp denkt de zeugenhouder eraan meer te gaan beperken in
rantsoen. De stal is zo ontworpen dat er dan bijvoorbeeld één
grote groep met de 16 vetste zeugen kan gemaakt worden met 2 voederbakken
en 1 groep met de 8 magerste zeugen.
Verder wordt in dit bedrijf eenfasig gevoederd. Nochtans zou tweefasig
voederen potentieel ook mogelijk zijn. Er moet dan enkel een extra silo
worden bijgeplaatst en geen aparte voederlijn. Er wordt immers gewerkt
met voorraadbakjes. In begin van de dracht zou er dan een energiearm voeder
onbeperkt kunnen gevoederd worden en vervolgens een energierijk voeder
meer gerantsoeneerd.
Een gevolg van de meeropname is dat de biggen een hoger geboortegewicht
hebben.
Systematisch worden de zeugen die op dag 114 van de dracht nog niet geworpen
hebben, ingespoten, zodat deze zeker op dag 115 zouden werpen. Het productiegetal
bedraagt 25 à 26 en de totale uitval 8 à 9 %.
2.1.3. Verstopping van de bakken
Tweemaal per dag worden de bakken aangevuld met kruimel/korrelvoeder.
Dan controleert de zeugenhouder ook het voederniveau van de bakken. Is
dit niet gezakt, dan zit de bak door vocht verstopt. Vermoedelijk te wijten
aan de bediening van de klep met natte snuit. Op dit ene jaar is dat zo’n
vijfmaal voorgevallen. Verder zijn er geen storingen aan het systeem geweest
en heeft de zeugenhouder het euvel ook zelf kunnen oplossen.
2.2. Bezoek 2
2.2.1. Algemeen
Dat het semi-onbeperkt voedersysteem ook bij renovatie in te passen is,
bewees ons tweede praktijkbezoek. Op dit bedrijf is het semi-ad lib systeem
reeds twee jaar in gebruik. 120 zeugen zijn er gehuisvest in een gerenoveerde
vleesvarkensstal. De groepen bestaan uit 14 zeugen. Er wordt gewerkt met
een éénwekensysteem. Een nadeel is dat er dan geen selectie
is van zeugen met dezelfde conditie zoals op het vorige bedrijf, maar
doordat er hier 2 voederbakken per hok staan, kan elke zeug in principe
genoeg opnemen.
2.2.2. Conditiebewaking
Hoewel de zeugen in principe genoeg kunnen opnemen stelde de stuurgroep
een verschil vast in conditie. De zeugen worden hier nochtans meer beperkt
in rantsoen ten opzichte van het vorige bedrijf. Blijkbaar gaan de dominante
zeugen met vele porties aan de haal. In begin van de dracht bedraagt het
rantsoen 2,5 kg, op het einde van de dracht is dit 3 kilogram. De zeugen
bedienen hier ook weer een klep aan de voederbak. Als het interval van
59 seconden verstreken is, valt er een portie van 16g.
Ondanks het feit dat de zeugen in rantsoen meer beperkt worden was het
rustig in de stal op het moment van ons bezoek. Enkele uren daarvoor was
nog een nieuwe groep samengesteld en ook in dit hok was het reeds relatief
rustig. Volgens de zeugenhouder is de rangorde na één dag
vastgelegd.
2.2.3. Gelten in groep
De jonge gelten zijn apart gehuisvest en moeten dus allemaal binnen een
termijn van 3 weken gedekt worden. Door het éénwekensysteem
zijn alle zeugen binnen één groep niet van hetzelfde drachtstadium.
Een groep wordt pas samengesteld als er genoeg zeugen gedekt zijn. Doordat
de zeugen verschillen in drachtstadium moeten er regelmatig zeugen uit
de groep gehaald worden om te verhuizen naar de kraamstal. Hiervoor is
extra mankracht geen overbodige luxe.
2.2.4. Dikkere mest en rubberen mat
Het waterverbruik is lager dan in individuele boxen, waardoor de mest
dikker is. Tot slot was er bij elke voederbak een rubber mat aangebracht
die ervoor zorgde dat gemorst voeder niet op de rooster viel. Zo wordt
voorkomen dat door het verzuren van de voederresten de betonnen roostervloer
wordt aangetast.
2.3. Evaluatie
De stuurgroep evalueerde het systeem positief en merkte op dat een mogelijke
verbetering aan dit systeem er in zou bestaan het water in de voederbak
permanent af te koppelen. Men verplicht zo de zeugen regelmatig te gaan
drinken op een andere locatie (met als richtlijn 6 meter tussen voederbak
en waterbak) en aldus de voederopname te beperken. Wanneer de wateropname
in de voederbak geschiedt, lijkt ons extra watervoorziening overbodig.
3. Foto’s
Klik
hier voor een fotoboek over gefaseerde voederverdelers
Wil je terug naar de vorige pagina , klik dan op onderstaande knop "beginpagina-info
over groepshuisvestingssystemen".
Door een klik op de knop "home groepshuisvesting",
verschijnt het beginscherm van deze site over groepshuisvesting bij drachtige
zeugen.
|