De verschillende groepshuisvestingssystemen: AD LIBVOEDERING
1. Algemene bespreking (bron: naar Suzy Van Gansbeke)
1.1. Groepsgrootte
De zeugen worden gehouden in grote groepen van 20 tot meer dan 200 zeugen.
Zowel stabiele als dynamische groepen zijn mogelijk. Bij dynamische groepen
kunnen we stro aanraden en is de groepsgrootte best zo groot mogelijk.
1.2. Het voedersysteem
De dieren worden individueel gevoederd via één of meer computergestuurde
voederstations. Deze stations moeten in de eerste plaats stevig geconstrueerd
zijn. Ook de materiaalkeuze is hierbij van belang. Inox is daarbij meer
aan te raden dan bijvoorbeeld gegalvaniseerd staal wegens een betere bestendigheid
tegen verzuurd voeder. Per 40 à 50 zeugen is een voederstation
vereist. De zeugen eten dus niet tegelijkertijd. De rangorde bepaalt in
grote lijnen wanneer welke zeug zal eten.
De zeugen hebben een transponder of responder in een oormerk als identificator.
Wanneer een zeug zich aanbiedt, wordt ze door het systeem herkend en krijgt
ze haar toegedeelde rantsoen met een specifieke voedersnelheid. Deze voedersnelheid
is lager bij gelten dan bij zeugen. Tegelijkertijd wordt meestal een kleine
hoeveelheid water gegeven. Gewoonlijk wordt het voeder in één
keer opgenomen. De voederbeurt duurt dan meestal 20 à 30 minuten.
Het voeder is dagelijks vanaf een bepaald tijdstip beschikbaar, er wordt
met ander woorden dagelijks een voedercyclus ingesteld. Zeker bij dynamische
groepen wordt deze start best ’s avonds ingesteld, om de rust te
bevorderen.Tegenwoordig kiezen meer zeugenhouders ervoor om de nieuwe
voedercyclus ’s nachts te starten. Bij stabiele groepen is de vaste
hiërarchie bepalend voor de eetvolgorde en is dit minder noodzakelijk.
In de meeste gevallen kan een zeug zonder voertegoed wel het station betreden
maar blijft de voedertrog onbereikbaar. Een andere optie bestaat erin
dat er gewerkt wordt met toegangsidentificatie, in dat geval kan een zeug
zonder tegoed het station niet betreden. Dit zou het aantal wachtende
zeugen verminderen en de rust bevorderen.
In alle geval moet voorkomen worden dat restvoerjagen beloond wordt. Dit
kan ofwel door het verwijderen van eventueel restvoeder door de trog ontoegankelijk
te maken door middel van een hekken, hetzij door een wegdraaiende trog.
1.3. Opstelling in de stal
Voederstations zijn zowel geschikt voor nieuwbouw als renovatie. Voor
grote groepen (meer dan 40 zeugen) mag de totale vereiste oppervlakte
per zeug vermindert worden met 10 %. Een dichte vloer groter dan 1 m²
per dier kan leiden tot bevuiling van de ligruimte. Daarom wordt soms
gekozen voor een deel dat uitgevoerd is als “gaatjesrooster”,
hetgeen als dichte vloer wordt beschouwd zolang het percentage openingen
kleiner is dan 15 %.
De belangrijkste activiteiten: liggen, mesten en voeder opnemen moeten
zoveel mogelijk gescheiden zijn. Zeugen die bijvoorbeeld wachten voor
het voederstation mogen niet gestoord worden door zeugen die gegeten hebben
en water wensen op te nemen. Hiervoor is een vrije ruimte voor en achteraan
het station vereist van minstens 2 m, maar bij voorkeur 3 m. Het station
moet zo geplaatst zijn dat zeugen die het station verlaten niet naar de
ligruimte maar naar de mest- en drenkruimte worden geleid.
Opdat de ligruimte bijvoorbeeld niet zou gebruikt worden als mestplaats
mag de afstand tot de roosters niet te hoog zijn, de maximaal af te leggen
afstand bedraagt maximum 12 meter. Grote ligruimtes worden bovendien best
in compartimentjes verdeeld met behulp van afscheidingen van 0,9 à
1 m hoog, en dit om de 4 à 5 m.
Eén van de belangrijkste invloedsfactoren op het mestgedrag is
de luchtverplaatsing. In sommige gevallen ontbreekt een voedergang, zodat
het niet altijd eenvoudig is het gewenste luchtpatroon te bekomen.
1.4. Belangrijkste voor- en nadelen
1 .4.1. Voordelen
- Om stabiele groepen toe te passen is een bepaalde bedrijfsgrootte
vereist.
- De zeug is geïsoleerd en beschermd tijdens het voederen
- De conditie kan individueel opgevolgd worden. Zeugen worden volgens
behoefte gevoederd.
1.4.2. Nadelen
- Tijdrovend en geduld vereisend aanleerproces van gelten
- Systeemdefecten of storingen behoren tot de mogelijkheden. Minimum
computerkennis is nodig.
- Oormerken kunnen verloren gaan.
- Zeugen worden niet geobserveerd tijdens het voederen. De varkenshouder
moet aan de hand van attentielijsten zeugen opvolgen.
2. Vaststellingen op praktijkbezoek
Er werden met de stuurgroep 3 praktijkbezoeken volbracht.
2.1. Bezoek 1
De drachtige zeugen van het eerste bedrijf zijn onderverdeeld in 4 hokken
van 50 zeugen. Er wordt gewerkt met een éénwekensysteem.
Daardoor komen er elke week 15 nieuwe zeugen in een groep, totdat een
groep volledig is. Dit aanvullen van de groep zorgt amper voor problemen.
Om de rust te bevorderen worden eerst de oudere zeugen in de groep gebracht,
de volgende dag volgen de jongere zeugen. Zeugen worden binnen de week
na het dekken in groep geplaatst. Eerste worpszeugen staan (voorlopig)
nog aangebonden, omdat bij deze teveel verwerpingen en embryonale sterftes
optraden.
Systematisch worden er dan ook zeugen uit de groep gehaald op het einde
van de drachtperiode. Hierdoor ontstaat onderbezetting van de hokken,
en dat zorgt blijkbaar voor meer hokbevuiling. Wanneer een hok volledig
leeg is, volgt een uitgebreide reiniging. De stal is dus heel ruim opgevat.
Een gevolg van deze manier van werken is wel dat wanneer de ene groep
nog maar bestaat uit enkele zeugen en deze groep juist de herkenning op
de bak heeft staan om aan te geven dat deze leeg is, gebeurt het dat de
grote groep zonder voedervoorraad valt. De onderbezette groep heeft bijvoorbeeld
gedaan om 18 uur, terwijl de grote groep nog tot 23 uur zou moeten eten.
Dit mankement is technisch op te lossen door een sensor bij te plaatsen.
Het voederstation registreert niet wanneer er geen voeder in voorraad
is. De zeugen van de grote groep kunnen op papier dus wel een portie gekregen
hebben, maar in praktijk is dat niet het geval. De voorraadbak zou groter
moeten.
Nieuwe zeugen het voederstation leren kennen dient volgens de zeugenhouder
heel rustig te gebeuren. Hoewel hij gebruik maakt van een doorloopstation
zonder separatie, heeft hij wel een separatieruimte voorzien. Deze ruimte
is onder andere handig om de eerste kennismaking met het voederstation
te vereenvoudigen. Vanuit de separatieruimte kan de zeugenhouder de nieuwe
zeugen met een hek toegang verlenen tot het voederstation en de rest van
de groep de toegang ontzeggen. Door wat voeder voor het poortje van het
voederstation te strooien, hebben de zeugen de ingang snel gevonden. Na
deze voederbeurt komen ze voor de eerste keer in de groep. De volgende
dag hebben deze jonge zeugen meestal geen voeder opgenomen en bevinden
ze zich gegroepeerd achter het voederstation. Het is dan heel eenvoudig
om ze even uit de groep te halen en het aanleerproces vanaf de separatieruimte
te herhalen.
2.2. Bezoek 2
Bij ons tweede praktijkbezoek was het aanleren van gelten een lastigere
kwestie. ’s Avonds (dan is het rustig in de stal) worden de gelten
in het voederstation gedreven. Wanneer dit mislukt is het soms beter de
volgende dag opnieuw te proberen. Forceren lukt toch niet en na een dag
zonder eten werkt het dikwijls wel. Een oplossing voor dit probleem zou
bijvoorbeeld zijn een oud voederstation in de quarantainestal plaatsen
en daar de aangekochte gelten opleren.
Het aanleren is bij bedrijven met een voederstation het grootste probleem.
Daarom is voor grotere bedrijven een aanleerstation voor gelten aan te
bevelen.
In dit bedrijf met 210 F1-zeugen komen de zeugen pas na 28 à 35
dagen in de groep. Er zijn twee hokken van elk 50 zeugen. In het ene hok
zijn de jonge zeugen gehuisvest en in het tweede hok de oudere zeugen.
In het hok met de oudere zeugen is het opmerkelijk rustiger.
Het inbrengen van gelten en andere zeugen gaat in dit bedrijf gepaard
met het strooien van wat zaagsel in het hok. Het zaagsel doet dienst als
afleidingsmateriaal voor de zeugen en geeft meer rust aan de groep. De
dag na het inbrengen strooit de zeugenhouder opnieuw wat zaagsel omdat
de rangordegevechten dan meestal het ergste zijn. De rust in de groep
wordt trouwens maar eenmaal per week verstoord. ’s Morgens zet hij
de zeugen die naar de kraamstal moeten in de separatieruimte en daarna
brengt hij de jonge zeugen in de groep.
Het tijdstip waarop een nieuwe voedercyclus begint, heeft een belangrijke
invloed op de rust in de stal. Meestal start men een nieuwe cyclus ’s
avonds. Tegenwoordig kiezen meer zeugenhouders ervoor om ’s nachts
een nieuwe voedercyclus te starten en ervaren daardoor meer rust in de
stal.
Een belangrijk pluspunt aan groepshuisvesting met een voederstation is
natuurlijk dat men elke zeug kan voederen volgens haar individuele behoefte.
In het geval van ons eerste praktijkbezoek wordt het rantsoen tijdens
de dracht opgedreven van 2 à 2,5 kilogram tot ongeveer 3,2 kilogram.
De zeugen kunnen hun rantsoen in 1 keer opnemen. Sommige zeugenhouders
beperken de eerste portie tot 2 kilogram. In begin van een nieuwe voedercyclus
kunnen alle ongeduldige zeugen zodoende sneller een deel van hun rantsoen
opnemen.
Het bedrijf dat we eerst bezochten had met 1 voederstation de optie om
automatisch zeugen te separeren, maar maakte er geen gebruik van. Ook
bij het andere bedrijf werd deze optie oorspronkelijk gebruikt, maar door
herhaaldelijke mankementen aan het separatiesysteem is de zeugenhouder
afgestapt van deze mogelijkheid. Deze mankementen zijn te verklaren door
het feit dat hier nog gewerkt wordt met een zogenaamd eerste-generatie-voederstation.
De zeugenhouder werkt nu met spraymarkering. De huidige voederstations
hebben een beter uitgeruste separatie.
2.3. Bezoek 3: voederstation in strostal
2.3.1. Algemeen
De zeugenhouder van ons laatste bezoek werkt met dynamische groepen op
stro. Deze zeugenhouder heeft 3 voederstations voor 120 zeugen. In principe
zou het voederen van alle 120 zeugen met 2 voederstations ook mogelijk
zijn, maar dan is de bezettingsgraad per voederstation zeer hoog. Met
deze iets ruimere marge is het ook gemakkelijker om jonge gelten aan te
leren. Dat aanleren geschiedt door de gelten 3 dagen in de separatieruimte
te huisvesten. De eerste dag moet elke gelt in het voederstation worden
geholpen. De tweede dag kennen reeds enkelen het systeem en de derde dag
zijn de meeste er mee weg. De zeugen krijgen hier brijvoeder.
Zeugen hebben elk een oortransponder. De oortransponder doet dienst als
herkenning voor het voederstation en heeft de reputatie snel kwijt of
stuk te geraken. In praktijk hebben de bezochte zeugenhouders ook wat
problemen, maar het is zeker niet rampzalig. Blijkbaar is er ook op dit
gebied een positieve evolutie te merken. De nieuwe oortransponders zijn
harder en minder schadegevoelig.
2.3.2. Gebruik van stro
Stro zorgt voor afleiding bij de dieren waardoor de rust beter bewaard
blijft. In grote dynamische groepen kan dat een voordeel zijn. Maar stro
heeft nog meerdere voordelen. Het zorgt voor een warm, goed geïsoleerd
ligbed voor de zeugen in de winter. Er wordt als het ware bespaard op
energiekosten. Bij gebruik van strostallen voldoet de zeugenhouder in
één moeite aan de eis dat men de zeugen in hun behoefte
tot kauwen moeten voorzien. We dienen hierbij wel op te merken dat de
ruwvoederopname met stro beperkt is en dat het geen verzadigingsgevoel
tot gevolg heeft. Niet onbelangrijk is dat stro naar de consument een
dierenwelzijnsvriendelijke uitstraling heeft. Ook andere materialen kunnen
gebruikt worden als strooisel: zaagsel, papiersnippers en compost behoren
tot de potentiële mogelijkheden. Stro is het meest gebruikelijke
strooisel voor een zeugenstal.
Toch verdient het gebruik van stro een kritische blik. De kwaliteit van
het stro moet onberispelijk goed zijn. Goed stro is blank, stofvrij en
kurkdroog. Het mag geen bruine of grijze plekken bevatten en niet muf
ruiken. Nat stro kan een bron zijn voor schimmels en bacteriën en
neemt minder vocht op. Gehakseld stro laat zich dan weer minder gemakkelijk
verspreiden en bevat over het algemeen meer stof. Het stroverbruik per
zeug wordt meestal gerekend tussen 250 en 600 kilogram per zeug per jaar
en de prijs bedraagt tussen 65 en 85 euro per ton aan huis geleverd. Stro
is dus ook kostenverhogend. Afgezien van de aankoop is er ook plaats nodig
voor de opslag van de strorijke mest. Bij nieuwbouw is de inrichting van
de stal echter vrij eenvoudig en goedkoop.
Naar verluidt zou de strosoort niet erg van belang zijn. Tarwe-, gerst-
en roggestro zijn toepasbaar. Meestal opteert men voor tarwestro omdat
dit stro meer vocht opneemt. Gerstestro van zijn kant neemt ook veel vocht
op. Daarenboven zou het zachter zijn en de zeugen nemen er meer van op.
Die meeropname is niet altijd positief. Afgezien van het feit dat stro
schimmels en mycotoxines kan bevatten, verteert het slecht en vraagt de
vertering extra eiwitten. Daarenboven kan het in sommige gevallen aanleiding
geven tot verstoppingen wanneer de zeugen verhuizen van de drachtstal
naar de kraamstal. De opname van beschimmeld stro en de vrijgekomen gifstoffen
kan leiden tot afgestorven staarten en opgezwollen vulva’s bij biggen.
Bij zeugen zorgt het voor vruchtbaarheidsproblemen.
Bij gebruik van stro vermeerdert de arbeidsbehoefte. De geschatte extra
arbeidstijd varieert sterk van bron tot bron. Voor grote bedrijven, bijvoorbeeld
van 300 zeugen, is 1 extra uur per dag een richtlijn. Andere ramingen,
voor kleinere bedrijven, rekenen op 5 extra manuren per zeug per jaar.
Vooral het verwijderen van het stro vraagt nogal wat werk. Mechanisatie
(bijvoorbeeld bobcat) zal het werk lichter maken en de arbeidstijd verkorten.
Meestal verwijdert men het bed eenmaal per jaar in de periode tussen maart
en juni. Zo produceert het steeds composterende stro weinig warmte onder
de zeugen in de zomermaanden.
In strostallen zijn er enkele afmetingen van belang. Zo mag de diepte
van de ligruimte niet dieper zijn dan 10 meter en mag het uiterste punt
van het strobed tot de doorgang naar de mest- en eetruimte niet meer dan
16 meter bedragen. Overschrijdingen van deze afmetingen (ook van de 1,3
m² ligruimte per zeug) werken strobevuiling in de hand. Indien er
toch natte plekken in het stro zijn, dient men deze te verwijderen of
goed bij te strooien. Controleer bij frequent voorkomen van natte plekken
eveneens het verbruik van drinkwater. Desnoods één drinkbak
afsluiten of alleszins de nippelopbrengst verlagen.
De ingang van het strobed moet ook droog zijn en één ingang
per strobed zorgt voor rust.
3. Foto’s
Klik
hier voor een fotoboek over voederstation
Wil je terug naar de vorige pagina , klik dan op onderstaande knop "beginpagina-info
over groepshuisvestingssystemen".
Door een klik op de knop "home groepshuisvesting",
verschijnt het beginscherm van deze site over groepshuisvesting bij drachtige
zeugen.
|