KVLT KVLT KVLT
Organisatie Projecten
Projecten  

Onkruidwerende technieken in de boomkwekerij

Groenbedekking

Algemene Aspecten
Specifieke aspecten van bodembedekkers naar de boomkwekerij
Bevindingen groenbedekkers naar onkruidwering

Algemene Aspecten
Onkruid kunnen we gaan bestrijden met bodembedekkers. Zelfs gekiemde en ontwikkelde onkruiden kunnen door een bodembedekker worden overgroeid, verstikt of weg worden geconcurreerd. Een aantal algemene aspecten van bodembedekkers kennen we uiteraard ook als karakteristieken van een groenbemester.
Een eerste punt is de aanbreng van organische stof. Deze inbreng van organische stof is in de boomkwekerij sterk aan te raden. Het betreft hier immers vaak intensieve en langdurige teelten waar weinig mogelijkheden zijn tot aanvoer van organische stof. Het op peil houden of zelfs verbeteren van de organische stof door de inzaai van een bodembedekker kan dan ook als belangrijk beschouwd worden. Grassen brengen meer organische stof aan dan klavers en kruisbloemigen.
Globaal voorkomt een groenbemester en dus ook een groenbedekker erosie, vermindert hij de slempgevoeligheid, houdt hij voedingselementen vast (geringere uitspoeling), activeert hij het bodemleven en kan hij bij voldoende diepe beworteling de waterdoorlaatbaarheid verbeteren. Tevens is de berijdbaarheid van het perceel beter indien een bodembedekker is ingezaaid. Voor sommige van deze kenmerken geldt dan wel dat de bodembedekker moet blijven staan in de winter of dat de afgestorven plantendelen tussen het gewas moeten blijven liggen.

Naar top

Specifieke aspecten van bodembedekkers naar de boomkwekerij:
Het onkruidwerend effect, wat we in eerste instantie beogen, berust op lichtconcurrentie, overgroeiing en of verstikking. Het probleem is de onkruidopkomst in de beginfase, dit is tussen zaai en volledige bedekking door de groenbedekker.

Een bodembedekkend gewas kan (te) concurrerend zijn naar ons teeltgewas. Dit kan of moet opgevangen worden door regelmatig de bodembedekker te maaien, door voor aanvang van de teelt een goede buffer van organische stof te voorzien en door het bijsturen van de bemesting op basis van analyses (bodem en of gewas).

Sommige groenbedekkers gaan bij een vroege zaai, wat voor onkruidwering noodzakelijk is, een massale zaadproductie in de zomerperiode geven. Dit kan mogelijk in het volgende jaar of bij een volggewas problemen geven van opslag. Dit geldt met name voor gele mosterd en bladrammenas. Om dit euvel te voorkomen is maaien voor de zaadvorming aan te raden.
Algemeen waren onze bevindingen en tevens deze uit literatuur dat de onkruidwering naar wortelonkruiden moeilijker is. Vertrek indien mogelijk bij de opstart van het perceel wortelonkruidvrij.

Aangezien de meeste onkruidontwikkeling plaatsgrijpt in de periode direct na inzaai van de groenbedekker is het belangrijk de snelheid van opkomst en het goed sluitend maken van de groenbedekkende mat te bevorderen. Dit kan door een vroege zaai, de juiste rassenkeuze, een hoge zaaidichtheid, een juiste inzaaidiepte en een lichte tot matige stikstofgift naargelang het soort groenbedekker. Deze stikstofgift moet trouwens niet als verloren beschouwd worden, daar deze vaak na het inwerken van de groenbedekker terug ter beschikking komt.

Naar top

Bevindingen groenbedekkers naar onkruidwering:
De resultaten die nu volgen zijn behaald op demoveldjes ingezaaid met diverse groenbemesters tussen Tilia en Carpinus. De bemesting op deze demoveldjes bestond uit een lichte compostgift in de winterperiode en lichte doseringen met een samengestelde meststof. Er is dus zeker niet bewust geanticipeerd met extra bemesting op een mogelijke groeiremming van ons gewas door de groenbedekker.

Grassen:
Van de grassoorten zijn een aantal rassen van Engels raaigras en Rood zwenkgras ingezaaid begin april.
De inzaai van grassen levert normaal een homogene doorworteling, is op alle gronden toepasbaar, biedt meerjaarse bedekkingsmogelijkheden, is makkelijk te maaien en geeft een goede berijdbaarheid van het perceel.
Engels raaigras heeft een snellere opkomst dan Rood zwenkgras en gaf daardoor een iets betere onkruidonderdrukking. Een lichte stikstofgift van 50 eenheden per hectare is te adviseren en dit om de aanslag en het snel gesloten zijn van de grasmat te bevorderen.
Voor Rood zwenkgras luistert de inzaai nauwer (juiste inzaaidiepte van 1.5 cm) en zal maaien, door de tragere opkomst van het gras, de onkruidonderdrukking moeten helpen.
Voor lage en oppervlakkig wortelende gewassen kunnen grassen te concurrerend zijn.

Naar top

Vlinderbloemigen:
Het groot voordeel van vlinderbloemigen (klavers) naar groenbedekking ligt in hun eigenschap om stikstof te binden. Zeker bij meerjaarse bedekking kan dit een belangrijke stikstofinbreng betekenen.
Van de twee uitgeteste klaversoorten bleek rode klaver agressiever te groeien dan witte klaver. Dit gaf een goede onkruidonderdrukking vanaf de beginfase.
Doch ook witte klaver gaf ondanks de geringere agressieve groei in de beginfase na verloop van tijd en na twee maaibeurten een zeer goede onkruidwering. Getuige hierbij het feit dat in onze demovelden klavers, waar we vooral last hadden van hanepoot, door het hoog genoeg afmaaien ( op 6-7 cm hoogte) we de hanepoot volledig hebben kunnen weren.
Witte klaver lijkt ons meer aangewezen tussen lage gewassen dan de wat hoger opgroeiende rode klaver. Wel is bij witte klaver een juiste inzaaidiepte en veel vocht bij inzaai nodig om een mooie opkomst te bekomen.
Bij een tijdige zaai (voor juni) zijn beide klaversoorten voldoende winterhard.
Uit de literatuur zijn er duidelijk aangevingen dat witte klaver minder concurrerend is dan rode klaver.

Naar top

Kruisbloemigen:
De kruisbloemigen, bladrammenas en gele mosterd, zijn interessant omwille van hun snelle kieming en vlotte beginontwikkeling zodat snel een zwaar, onkruidonderdrukkend gewas ontstaat. De toepasbaarheid ligt nogal logisch enkel in hogere boomkwekerijgewassen.
De inzaai is gemakkelijk, wel wordt geadviseerd een diepe voorafgaande grondbewerking uit te voeren en een gift van 80 eenheden stikstof per hectare te geven.
Maaien voorkomt de zaadvorming op grote schaal en verbetert de onkruidwering. Bij niet maaien bleek enige onkruidontwikkeling naar het einde van de zomer te ontstaan.
Indien het gewas ondergewerkt wordt kan men best eerst het gewas hakselen en dit om het zogenaamde inkuileffect te vermijden. Bij de minste vorst vriezen deze kruisbloemigen stuk, doch het in de winter laten liggen van de gewasresten blijft positief naar de bodemtoestand.

Naar top

Phacelia:
Phacelia was tevens opgenomen als groenbedekker. Ondanks de iets tragere beginontwikkeling bleek de forse groei achteraf (vanaf het vierde bladstadium) een goede onkruidwering op te leveren. Hier geldt niet te diep inzaaien (1-1.5 cm), wat stikstof geven (80 eenheden per hectare) en de goede bodembedekking in de winterperiode ondanks de vorstgevoeligheid.
Het maaien van Phacelia kan enkel indien er een ondergewas aanwezig is zoals klaver. Trouwens mengsels van Phacelia en klaver zijn in de handel verkrijgbaar. Phacelia gedijt goed op alle gronden behalve op zware klei.

Naar top

Bloemenmengsel:
Tot slot werd de onkruidwering van een bijenbloemenmengsel nagegaan. Het betreft het Thurbinger mengsel voor lichtere grond en het Brandenburger mengsel voor zware grond. Ondanks het minder sluitend zijn van het gewas bleek de onkruidwering toch meer dan voldoende. Vanuit andere sectoren, met name de fruitteelt, zijn er indicaties dat vele nuttigen (roofwantsen, gaasvliegen, zweefvliegen) gelokt worden door het bloemenmengsel. Dit hebben we niet uitgetest. Wel bleek dat in volle zomer de aanwezigheid van bijen en hommels storend kan zijn naar het uitvoeren van teelthandelingen.

Naar top

Gewasconcurrentie:
De uitgevoerde groeimetingen tonen ons een groeiremmend effect van de groenbedekkers op het gewas (Tilia en Carpinus). Doch hier nogmaals de bedenking dat onze bemesting bewust marginaal was en dat dit effect ons inziens in de volgende jaren geringer is of zelfs omgekeerd kan zijn door het verteringsproces van de groenbedekker of door de stikstoflevering in het geval van klavers.
Globaal blijkt ook dat de oppervlakkige bewortelaars zoals grassen en klavers een geringer effect hebben op de groei dan de zwaardere groenbemesters. Bij deze laatste zal door het maaien deze concurrentie ook geminimaliseerd kunnen worden.

Naar top

Algemene conclusies:
Kies de juiste groenbedekker in functie van een eenjaarse of meerjaarse bedekking, een hoog of laag boomkwekerijgewas en in functie van de concurrentie ten opzichte van het cultuurgewas. Voor lage boomkwekerijgewassen adviseren we witte klaver, rood zwenkgras en engels raaigras.
Globaal kan men ook stellen dat een grasgroenbedekker aan te raden is in het geval dat veel breedbladige onkruiden voorkomen en een breedbladige groenbedekker als vooral grassen als onkruid voorkomen.
Voorzien een snelle opkomst van de groenbedekker door een voldoende zaaizaadhoeveelheid, een vroeg zaaimoment, een juiste inzaaidiepte, een juiste rassenkeuze en een lichte stikstof gift.
Het maaien van de groenbedekker steunt de onkruidonderdrukkende werking, verhindert de zaadvorming, vermindert de concurrentie en bevordert de werkzaamheden in het perceel.
Vermijd wortelonkruiden voorafgaandelijk door eventueel het veelvuldig cultiveren in droge omstandigheden.
De onkruidopkomst in de beginfase kan verminderd worden door een vals zaaibed aan te leggen. Dit betekent dat men het perceel zaaiklaar legt maar pas na 7 tot 10 dagen effectief zaait na een zeer lichte, oppervlakkige grondbewerking. Zo wordt reeds veel gekiemd onkruidzaad geëlimineerd.
Vooral naar meerjaarse teelten met ruime plantafstanden biedt inzaai van groenbedekkers mogelijkheden.
Of volvelds zaaien en achteraf opplanten en de combinatie van groenbedekkers tussen de rij met mechanische onkruidbestrijding in de rij mogelijkheden biedt zal in de toekomst moeten blijken.

Naar top
KVLT - Kleinhoefstraat 4 - 2440 Geel
Tel: 014/56.23.27 - FAX: 014/56.23.31
info: kvlt@khk.be